Parijs, stad van eten en drinken. En ook van wat daarna komt…
We hadden weer het genoegen om een aantal dagen in de hoofdstad van Frankrijk te mogen verblijven. Ditmaal niet in een hotel, maar in een appartement aan de voet van de bult met de naam Montmartre. Alle spieren doen me nog pijn als concrete herinnering aan dat verblijf. Een prachtig appartement, van alle gemakken voorzien, schoon en fris en bepaald een prima tijdelijk ‘home’. Met naast ons een buurman die een Italiaans restaurant runde en elke morgen om zes uur begon met het stapelen van de kratten vol met lege flessen. Met voor de deur de doodlopende Rue Tholozé waar elke dag, in de achteruit, met loeiende motor, drie verschillende vuilnis-vrachtwagens achter elkaar de bult op kropen. Eén voor het glas, één voor de kunststof en het karton en één voor de rest-fractie. Voor zover je het nog niet wist, de Fransen zamelen hun afval gescheiden in en laten het dagelijks afvoeren. In de vroege ochtend.
Aan eten en drinken geen gebrek in deze prachtige stad. Voor mij blijft het een wonder om te kunnen vaststellen dat er vooral tijdens het nachtelijke uur zoveel voedingswaren die stad binnengebracht worden dat miljoenen magen er dagelijks mee kunnen worden gevuld. Dat de mens alles verteert en er ook weer van af moet, dat werd ons ditmaal maar al te duidelijk. Het was warm weer en de riolen stonken enorm. Penetrante putluchten bereikten met grote regelmaat mijn niet eens zo gevoelige neus. Dat is ook Parijs.
Wie regelmatig van de plas en de poep afmoet heeft in deze stad toch wel een probleem. Het aantal openbare toiletten is veel te beperkt. Alleen langs een kanaal in het negentiende arrondissement zagen we veel openbare toiletten, urinoirs, en ook glasbakken en afvalbakken, maar we ontmoetten daar slechts een enkele werkloze Afrikaan en een gepensioneerde die zijn oude stramme hond uitliet. Verder ben je aangewezen op de horeca, die je eerst een flinke poot uitdraait voor een kop lauwe koffie of een glas met veel ijsblokken en weinig Orangina. Om, als je eenmaal afgedaald bent in de spelonken van de horeca-onderneming, te moeten vaststellen dat de poetsploeg al wekenlang geveld is door griep of een andere aandoening die het hen onmogelijk maakt om de potten schoon te maken. In één restaurant ontmoetten we zelfs een muis op de trap, verdwaasd, verdwaald, verdoofd en gedoemd tot een roemloos einde.
In de hele stad stonk het naar plas, naar pies, naar pis, naar zeik, naar urine. Het was ondraaglijk. Ik waande me in de Middeleeuwen. Op de dag dat we vertrokken waren er flinke regenbuien voorspeld. Misschien dat die kortstondig konden bijdragen aan de oplossing van dit werkelijk onmetelijk grote probleem.
Parijs… stad van de Eiffeltoren.
Parijs… stad van de Macarons.
Maar ook: Parijs…. het grootste urinoir van Frankrijk, van Europa zelfs wellicht.
Vanuit de woonkamer komt een instructie dat ik nu moet stoppen met zeiken.
En uiteraard gehoorzaam ik. Mais oui, Madame!
Rob van Asselt (53) is al vanaf zijn zestiende idolaat van de stad Parijs. De eerste keer ging hij met de nachttrein, huurde een Solex en was na een paar dagen door zijn vakantiegeld heen. Gelukkig volgden daarna nog vele tripjes naar de stad van de liefde, want ook zijn wederhelft is dol op de stad. En Sjors de Sjimp (foto links), voor de Fransen George, gaat trouw mee op reis.
“Hij zei gewoon heel droogjes: ‘C’est très gentil, merci.’ Als ik hem een hondendrol cadeau had gedaan, had ‘ie exact hetzelfde op dezelfde toon gezegd,” klaagde Antonio, een Argentijnse vriend van mij, die sinds anderhalf jaar een relatie met een Parijzenaar heeft. En die Parijzenaar had niet al te blij gereageerd op het fantastische bling bling horloge dat Antonio voor zijn verjaardag had gekocht. Reden voor Antonio om tegen mij, tijdens een middagje winkelen in Le Marais, maar weer eens los te gaan over de in zijn ogen starre Fransmannen, die nooit hun emoties tonen. “De mannen zijn hier zo anders dan in Argentinië,” verzuchtte hij, terwijl hij zijn hoofd liet zakken. Antonio mag dan elke avond in bed kruipen naast een Fransman, hij heeft geen hoge pet op van het Franse volkje.
De eerste keer dat Antonio mij zijn mening over de Fransen had toevertrouwd, had ik hen verdedigd. Hoezo, geen emoties? Die theatrale Fransen zijn toch de hele dag bezig met hun emoties tonen? Hun hele dagelijks leven is één groot toneelstuk! Het theatrale was helemaal waar, moest Antonio beamen (hoewel dit natuurlijk ook niets was in vergelijking met de Argentijnen, verzekerde hij me), maar dat bleef allemaal oppervlakkig. De Fransen stellen zich niet écht voor je open, aldus Antonio. Had hij gelijk? Ik dacht na over mijn Franse vriendinnen. Sommige van hen ken ik al jarenlang en beschouw ik als echte vriendinnen, ook al zien we elkaar niet vaak. We komen bij elkaar thuis over de vloer en bespreken persoonlijke dingen met elkaar. Maar toch moest ik Antonio ergens wel gelijk geven. Lees verder
Binnenkort krijg ik bezoek uit Nederland. Van vrienden die ‘niet zo van Frankrijk houden’. Ze komen per vliegtuig, dus zullen ze niet langzaam kunnen wennen aan het Franse leven. Dat zou wel beter zijn, want ze komen terecht in het bijzondere, zeer zuidelijke stukje Frankrijk dat mijn thuis is, de Provence. Met haar ijskoude winters en meedogenloos hete zomers. Met de woest langs de heuvels gierende mistral, die niet alleen de hemel schoon houdt, maar ook de hoofden van de mensen, pour qu’il ne se prennent pas la tête. Ze zijn net als het land, hard en onafhankelijk. Ze hebben aan zichzelf genoeg. Hun leven speelt zich af rond de eeuwige cyclus der seizoenen, met als hoogtepunten in een jaar de wijnoogst, de jacht, de olijvenopbrengst en wat er gegeten wordt met Noël.
Niets is hier plat, hoekig en keurig afgebakend, maar alles hobbelig, gerafeld, door de natuur gevormd en zo gelaten. Ik probeer me te verplaatsen in mijn gasten, met hun Nederlandse wereldwijsheid. Ik zie mijn omgeving met hun ogen. Dingen die me anders niet opvallen, zie ik nu ineens wel. Zoals de auto die rondrijdt met een achterportier dat niet meer sluit. Het wordt op zijn plaats gehouden met een stuk touw dat is vastgemaakt aan de achterbumper, zo te zien al een tijdje. En zaten er altijd al zoveel gaten in de weg naar mijn huis? Mijn blik glijdt over de winters kale wijngaarden met cabanons waarvan nog slechts de muren overeind staan. Wanneer ik er straks met mijn gasten langs rijd, zal ik waarschijnlijk weer zeggen: ‘kijk, een opknappertje, iets voor jou?’
Misschien komen we in het dorp Gilles wel tegen, op zijn gammele fiets. Een miezerig mannetje met een pluizige baard, zomer en winter gekleed in dezelfde lange wollen jas. Hij is altijd op zoek. Naar iemand om mee te praten. En naar bruikbaar materiaal, door hem zelf te recyclen. Hij heeft die indringende manier van kijken, recht door je heen. Gilles doet geen vlieg kwaad, maar dat weten mijn vrienden niet. Ik zal het moeten uitleggen. Lees verder
Ik ben dol op Frankrijk en bijna alles wat typisch Frans is: stokbrood, paturain, éclairs au chocolat… Bijna alles, behalve wijn. Ik kan er niets aan doen, ik lust gewoon écht geen wijn. Maar dan heb je de juiste wijn nog nooit geproefd, hoor ik u denken, maar geloof me: ik heb veel verschillende soorten wijn –rode, witte, rosé- uitgeprobeerd, maar geen van allen vond ik lekker. En uit ervaring kan ik zeggen dat een aversie tegen wijn nogal lastig is, als je je –zoals ik- graag in Franse kringen begeeft. Want er is natuurlijk geen volk op aarde dat deze eigenschap vreemder vindt, dan de Fransen. “Je moet naar een dokter!” riep mijn Franse leraar Gilles uit, op de talenschool in Parijs waar ik Frans studeerde, nadat ik hem mijn eigenaardigheid had opgebiecht. Hij verzekerde me dat er iets mis moest zijn met mijn smaakpapillen. Voor zover ik weet, is daar niets mis mee, maar daar zijn de meningen dus over verdeeld.
Misschien komt mijn aversie tegen wijn wel door een film die ik heb gezien toen ik een klein meisje was, waarin een groepje Franse mensen in een grote ton druiven stond plat te stampen. Zo maakten ze vroeger wijn, legde men erbij uit. Het enige wat ik zag waren die vieze voeten van die mensen. Ze waren een beetje zwartig en de mensen zagen er sowieso uit alsof ze al een week niet gedoucht hadden. En waar die vieze voeten op stonden te stampen, die vloeistof dronken mensen op? Bah! Lees verder
Vaak wordt er van Nederlanders gezegd dat ze stug zijn in vergelijking met Zuid-Europeanen zoals de Fransen. Sinds ik een Franse vriendin heb begin ik hoe langer hoe meer te geloven dat daar misschien wel een kern van waarheid in zit.
Wanneer bijvoorbeeld mijn vriendin haar moeder belt, valt me op hoe (in mijn ogen) overdreven ze elkaar begroeten. Met een zoetsappig stemmetje zegt ze: “Coucou maminou! Es-tu très mignonne?” En aan de andere kant van de lijn: “Salut ma puuuuce! Aah, ça fait plaisir, qu’est-ce que tu fais de beau?” Het feit dat ze elkaar de dag ervoor nog hebben gesproken doet niets af aan hun enthousiasme.
Bij het afscheid nemen aan de telefoon is het contrast nog duidelijker: ‘‘Salut ma Chèrie d’amour, je t’aime très très fort! Gros bisous mon petit chou! Bisou bisou! À très bientôt ma petite babounette!’’ Dit wordt beantwoord door haar dochter met vergelijkbare liefdesbetuigingen. Hierna volgt er dan vaak nog een heel nieuw gespreksonderwerp, waarna het afscheidsritueel zich uitgebreid herhaalt.
Als ik daarentegen mijn moeder, na haar weken niet gesproken te hebben eindelijk eens bel, gaat het er toch net iets anders aan toe: “Hoi met mij, hoe is ’t?’’. (Op dit punt word ik meestal spottend aangekeken door mijn vriendin, die me op een nog lijzigere toon imiteert: ‘‘Heumemij, oeist?’’) Lees verder
“Mais non, déjà?!” riep de bakkersvrouw uit vanachter de balie. Ik had haar zojuist het slechte nieuws verteld. Mijn studie Frans in Parijs, die ik begin vorig jaar een aantal maanden heb gevolgd, was ten einde gekomen. “Over een paar uur vertrekt mijn trein naar Amsterdam,” zei ik tegen haar. Om dit wereldschokkende nieuws te verwerken, had de lieve bakkersvrouw – met wie ik elke ochtend even een praatje maakte als ik een baguette, en vaak ook een éclair au chocolat, bij haar kocht –een paar minuutjes nodig. Ook al stond de hele bakkerij vol klanten, nam ze er rustig haar tijd voor. Ze sloeg haar hand op haar voorhoofd en herhaalde: Déjà?! Mais c’est incroyable!” Met dezelfde snelheid waarmee haar gezicht in een plooi van absolute schrik was getrokken, toverde deze nu een glimlach van oor tot oor tevoorschijn. Ze zei dat ik vast een goede tijd in Parijs had gehad, en dat mijn Frans met sprongen vooruit was gegaan. Ook gaf ze me nog wat tips voor de volgende keer. Ik moest niet meer naar dezelfde studio terugkeren, want die was veel te duur. Er waren veel betere studio’s in de stad te vinden voor een lagere prijs. Ik keek opzij naar de andere klanten in de zaak, maar het leek hen niet te deren dat ons gesprek hen ophield. Lees verder
Jan Vink is de auteur van ‘Geweten’, een roman die momenteel de redactierondes nog doorloopt en later dit jaar zal verschijnen bij Uitgeverij Lemmens. De roman speelt zich af in Zuid-Frankrijk. Hoe dat zo is gekomen, wat de Franse sfeer toevoegt aan het verhaal én wat de band van Jan Vink zelf met het land is, legt hij hier uit.
‘Waarom Frankrijk?’ was steevast de vraag toen ik mijn vrienden vertelde dat ik bezig was aan een roman die zich in dat land afspeelt. ‘Ken je dat land dan zo goed?’ Nee, zo goed kennen doe ik het land niet, bekende ik dan in stilte, niet in letterlijke zin in ieder geval. Frankrijk is een gevoel. Dat zei ik niet, want zoiets valt moeilijk uit te leggen. Het is de som van alle indrukken en ervaringen die ik er gedurende de vele jaarlijkse vakanties heb opgedaan. Mijn belevenissen in Frankrijk strekken zich uit van het noorden tot het zuiden en van het westen tot het oosten van het land. Dit land met zijn grote variatie aan landschappen, de vele historische steden… De talloze verstilde, pittoreske dorpjes met hun marktjes waar, naast de verkopers in de kraampjes met ambachtelijke, ‘artisane‘ producten, kleine boertjes uit de omgeving hun oogst aan groenten, fruit en geitenkaasjes aan de man proberen te brengen. Het is het land waar je voor een luttel bedrag in een restaurantje onderweg een smakelijk dagmenu voorgeschoteld krijgt en waar je voor een lokale wielerwedstrijd in een dorp op zondag de weg versperd wordt door de plaatselijke onderwijzer.
Ik weet het, het zijn stereotype beelden die iedere frequente Frankrijkganger wel op zijn netvlies heeft staan. Maar oh la la, dan nog de Fransen zelf, dat druk gesticulerende, almaar pratende, pastis drinkende eigenzinnige volkje. Ik ken nogal wat mensen die een hekel aan ze hebben: ze spreken alleen maar Frans, doen dat te snel, doen geen enkele moeite om je te begrijpen en ze zijn vooral arrogant. Kortom: Frankrijk is een mooi land, maar er moesten geen Fransen wonen! Lees verder
“Vous êtes allemande?” vroeg de verkoper in de Parijse DVD-winkel nadat ik hem –écht in perfect Frans- had gevraagd of hij de dvd van Le fabuleux destin d’Amélie Poulain had. Hoe komt het toch, dat Fransen altijd metéén doorhebben dat ik niet Frans ben, ook al heb ik werkelijk honderden uren van mijn leven besteed aan het leren van de Franse taal én uitspraak? Had ik ‘poulain’ niet goed uitgesproken, moest het dan toch ‘la destin’ zijn, of vragen Fransen überhaupt nooit naar de dvd van Amélie omdat iedereen die film al vaker heeft gezien dan ‘m lief is? Nee, ik zei het echt goed, maar het lijkt wel alsof Fransen er een zesde zintuig voor hebben ontwikkeld: ze pikken de nep-Fransen er altijd zó uit. Hoe hard ik ook mijn best doe, en wat ik ook zeg, zelfs aan het simpele woordje ‘oui’ horen ze al dat ik geen Française ben. Zodra ik mijn mond opentrek in Frankrijk, volgt dan ook steevast de vraag: “Vous êtes de quelle origine?”, soms afgewisseld door: “Vous êtes allemande?” Lees verder
Recente Reacties